I. VORMINGSWERK ALGEMEEN II.VORMINGSWERK IN DE IJMOND III.GEBOUWEN VAN HET VORMINGSWERK
IV. BESTUUR EN STAFLEDEN VAN HET VORMINGSWERK ALFONS ARIENS V. Conflict KVC
VI. DE MOEIZAME WEG NAAR SAMENWERKING VII. 3 Regionaal Team
I.I.Vormingswerk in Nederland
1.Mater Amabilis School en Jongerencurus
Hélène Vossen begint haar dissertatie “MaterAmabilis en Pater Fortis onder vuur “ aldus: “Nederland kwam verwoest, verarmd en chaotisch uit de Tweede Wereldoorlog. Naast de economische en psychische schade was de morele ellende in de ogen van de autoriteiten ontstellend groot. Een van de vele initiatieven, welke werden genomen om iets te doen aan de “morele schimmels” ( de losse omgang van meisjes met bezetters en bevrijders) was de oprichting van een nieuwe school: de Mater Amabilis School.
Voor de oprichting hiervan werd vanuit het Roermondse Bisdom door aalmoezenier Houben een beroep gedaan op de Belgische pedagoge Maria Schouwenaars, die al in 1940 in Antwerpen een instituut had opgericht ter voorbereiding
van de taken van moeder, huisvrouw en echtgenote.
Mater Amabilis betekent beminnelijke moeder (afbmateramabilis)
en verwijst naar Maria, de moeder van Jezus.
Zij werd als voorbeeld gesteld voor de meisjes
die de school bezochten.”.
In 1947 werd in Maastricht de eerste MAS opgericht, welke bestemd was voor meisjes van zeventien jaar en ouder. Voor jongens werd een tegenhanger opgericht in de Pater Fortis scholen, de sterke vader. Hier werd gewerkt naar het perspectief van een toekomstige vader en kostwinner. Zo waren eertijds ook de taken tussen man en vrouw in het huwelijk geregeld !
In 1955 kwam er een arbeidsverbod voor veertienjarige meisjes in BEDRIJVEN ! 1n 1965 volgde een soortgelijk verbod voor jongens van veertien jaar.
Ontheffingen waren mogelijk, maar dan stond daar tegenover dat de werkgever verplicht was om de veertien -jarigen een dag naar bijvoorbeeld een vormingsinstituut te laten gaan.
De MAS zou voor de meisjes lessen verzorgen in de avonduren, drie jaar lang gedurende vier uren per week, verdeeld over twee dagen.. De belangstelling was overweldigend, maar de doelgroep waarop gerekend was verscheen niet; fabrieksmeisjes kwamen niet. Om die groep binnen de MAS te krijgen werd een beroep gedaan op `de christelijk sociale instelling`van de werkgevers, opdat de meisjes de MAS in werktijd zouden kunnen volgen.; een beroep op de wettelijke mogelijkheid , welke de Arbeidswet 1919 artikel 12 bood, vond men niet passend !
Het kernprogramma werd gegeven in de Huishoudschool: koken, naaien en les in besteding van inkomen, gemeenschapsdienst -werk in een ziekenhuis of in grote gezinnen,- kleding en verzorging, seksualiteit, medische raad, verpleegkunde en opvoedkunde.
In een aanvullend programma kwamen sportbeleving en vrijetijdsbesteding aan de orde.
Het traditionele lesgeven werd zoveel als mogelijk vervangen door groepsgesprekken.
Merkwaardig is te lezen, dat de Limburgse VKAJ (Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugd) zich verzette tegen het initiatief, omdat zij meende dat de VKAJ de aangewezen instelling zou zijn om zich met de vrouwelijke arbeidersjeugd bezig te houden.! “De VKAJ ondervond krachtige concurrentie van de zich snel ontwikkelende MAS “, aldus Jan Peet in “Het uur van de arbeidersjeugd”.
Overigens ontstond intern al spoedig onenigheid over de wat eenzijdige taakstelling van de MAS; het kon niet alleen gaan om een voorbereiding op een mogelijk moederschap, maar vooral om een vorming van meisjes in het algemeen.
Na wat geëxperimenteer hier en daar, werd in 1957 een officiële start gemaakt met de Jongerencursus (JC), vooral gericht op dagprogramma´s voor de meisjes tot 18 jaar. (Aanvankelijk Laetitia-clubs geheten)
Beide initiatieven (zowel MAS als JC) sloegen al snel overal in het land goed aan en kregen veel waardering. In 1955 telde de MA ~Scholen al bijna 16.500 deelnemers; de dagscholen JC telden toen bijna 1150 deelnemers. In1968: ruim 18.000 deelnemers met 164 centra.
In 1955 ontstond de Nationale Stichting voor Mater Amabilis -scholen, sterk gekoppeld aan het landelijke Katholiek Vrouwelijk Jeugdwerk (de KVJ), een overkoepeling van het gehele katholieke vrouwelijke jeugdwerk.
2. Pater Fortisschool en Levensschool.
Tussen 1947 en 1950 werden er levensscholen voor jongens opgericht, avondscholen voor jongens van 17 jaar en ouder. Het programma was een op de jongens afgestemd MAS- programma. (Handvaardigheid, algemene ontwikkeling, lichamelijke opvoeding, excursies en levenslessen.)
Het is opvallend, dat het de landelijke KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd) was, welke in 1954 het initiatief nam voor de oprichting van een Landelijke Stichting Katholieke Levenssscholen (LS), heel duidelijk gericht op jonge arbeiders tot 18 jaar. (De KAJ mocht door bisschoppelijke richtlijnen slechts actief zijn voor jonge arbeiders BOVEN 17 jaar !) .
De landelijke stichting distantieerde zich heel nadrukkelijk van het MAS-model.
Men hanteerde veel meer het methodische uitgangspunt van de kajottersbeweging; werken vanuit de situatie van de leef en -werkwereld van de jongens. Die methodische benadering werd wetenschappelijk uitgewerkt door Prof dr Nic Perquin SJ (Utrechtse Universiteit) in het meest belangrijke studieboek voor alle levensschoolleiders van het eerste uur: “Een Levensschool voor de jeugd in de bedrijven.”
Die wat van de gangbare praktijk afwijkende aanpak, kreeg niet bij voorbaat steun vanuit het streng georganiseerde en hiërarchisch opgebouwde katholieke jeugdwerkstructuur.
Naast de zogenaamde KAJ -levensscholen ontstonden KJB (Katholieke Jongerenbeweging) –instituten; er werd binnen de KAJ-kringen wat smalend over deze scholen gesproken.:”Men is daar doende om Potgieter onder de aandacht van het jeugdig publiek te brengen”.
In werkelijkheid werd bedoeld, dat de methodiek bij die instituten nog uitging van de idee: wat zullen wij deze jongeren nou nog eens laten leren ! Deze KJB-scholen hebben overigens een heel kort bestaan gekend en konden nauwelijks als concurrenten van de levensscholen worden beschouwd.
De Levensscholen namen een heel sterke vlucht; in praktisch alle grote steden en industriegebieden werden levensscholen opgericht. De leiding van deze instituten lag voor bijna 90 % in handen van voormalige vrijgestelde (betaalde) leiders van de KAJ.
Vrijgestelde leiders werden aangesteld bij de KAJ uit de doelgroep (werkende jongeren) en wisten van te voren, dat ze na vier tot zes jaren het veld moesten ruimen om plaats te maken voor jongere opvolgers.. Om de overgang naar een nieuwe baan enigermate te verzekeren, stimuleerde de KAJ -leiding een studie; velen kozen een studie maatschappelijk werk, de zgn Haarlemse opleiding.
Wie geen baan apprecieerde in de vakbeweging of in de KAB, koos voor het levensschoolwerk.. Deze keus garandeerde ten opzichte van de initiatiefnemers ook min of meer het behoud van het zuivere karakter van de LS; het leiderscorps was gewend met werkende jongeren om te gaan, men hanteerde de methodische benadering van de KAJ en men wist wat er aan tekorten en verlangens bij deze groep leefden.
Elke Algemeen Leider/directeur (titel was afhankelijk van het aantal deelnemers) moest verplicht een drie-(later twee) jarige opleiding op HBO -niveau volgen; die opleiding vond plaats in Den Bosch (later ook in Zwolle) en was volgeladen met thuiswerkopdrachten. Zonder deze opleiding kwam er geen erkenning en derhalve geen rijkssubsidie.
Naast deze algemene opleiding vonden er ook (verplichte) specifieke opleidingen plaats voor sport - en handvaardigheids –leiders en directeuren. Later werden er voor sommige vooropleidingen vrijstellingen verleend.
Ook dit strakke kader droeg wel bij aan een zekere garantie voor het zuiver houden van de doelstelling: “niet kennisontwikkeling of -vermeerdering was hoofddoel, maar de vorming van de totale persoon door opheffing van ontwikkelingsbelemmeringen.”
De levensschool kende aanvankelijk naast dagscholen ook avondscholen.
Instituten met uitsluitend avondscholen vormden een uitzondering (Zaandam had aanvankelijk alleen een avondschool); instituten met dag- en avondschool (bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam) kwamen meer voor, maar het overgrote deel (ook de IJmond) kende slechts dagscholen.
De leeftijd was aanvankelijk vastgesteld op 14 tot 17 jarigen; het betrof dan bijna altijd laaggeschoolden. Door de contacten met Hoogovens, Plaatwellerij etc namen in de IJmond steeds meer deelnemers met oudere leeftijd deel en daardoor veranderde ook het opleidingsniveau en het inhoudelijke programma. Deze ontwikkeling had de bijzondere belangstelling van de landelijke Stichting en is later vrij algemeen overgenomen
3.Algemeen en Protestants Christelijk vormingswerk
Het niet rk.-meisjesvormingswerk ging van start onder de naam “De Zonnebloem”;de eerste groepen begonnen in 1948 in Rotterdam. De naam Klimop werd gebruikt voor PC-instituten. .In 1950 werd het algemene “Nationaal Centrum Vorming Bedrijfsjeugd”opgericht., later Nationaal Centrum voor Werkende Jongeren geheten.
In 1968 waren 108 instellingen bij het Nationaal Centrum aangesloten met 9.500 deelnemers, overigens was het aantal aangesloten centra en het aantal deelnemers met 4000 deelnemers teruggelopen vergeleken met 1965 met ruim 4000 deelnemers en 9 centra.
Wellicht is de stichting van protestants christelijke centra met een eigen landelijke stichting daarvan een oorzaak.
4. Rijksbeleid
De enorme vlucht van het vormingswerk miste zijn uitwerking op het politiek handelen niet.
Vooreerst was dat merkbaar aan de wijze waarop het Departement van Onderwijs ; dus niet het departement van Cultuur , Recreatie en Maatschappelijk werk,- dit vormingswerk subsidieerde. Erkende stichtingen ontvingen een Rijkssubsidie van 80% in de exploitatiekosten; het restant van 20 % moesten de centra zien te krijgen uit werkgeversbijdragen,deelnemersbijdragen, of gemeentesubsidies. In het begin was dat een redelijk groot probleem.
Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 veranderde dat, omdat de vormingscentra in de artikelen 61 tot 63 in de nieuwe wet op het voortgezet onderwijs werden opgenomen en derhalve voor volledige vergoeding in aanmerking kwamen voor deelnemers van 14 tm 18 jaar.
Maar ook in de te nemen beleidsmaatregelen was een kentering merkbaar.
De deelname werd aanvankelijk uitsluitend bepaald door de vrijwillige medewerking van het bedrijfsleven. Dat was een breed en gevarieerd en veelal moeilijk te bereiken en te overtuigen groepering. Soms ging het bij een bedrijf om de deelname van een of twee jongens/meisjes.Die konden daar door hun eenmanspositie ook moeilijk gemist worden. Bij grotere bedrijven lag dat minder problematisch.
Het enige wettelijk middel was de Arbeidswet van 1919, waarin stond, dat jeugdige werknemers van 14 jaar een recht konden claimen voor een dag vorming of scholing; zonder verplichte doorbetaling van het loon. We schreven al dat voor meisjes eerder wat meer ruimte kwam voor deelname aan o.a. het vormingswerk.
Bij de opening van het vormingscentrum voor AA en KVC in Velsen Noord in maart 1969 was met opzet als spreker uitgenodigd het kamerlid Cor Kleisterlee, die bij alle partijen bekend stond als de grote belangenbehartiger van de werkende jeugd. Hij pleitte voor de invoering van een partiële vorming - en leerplicht. Voorts stond in die periode het politieke item “Het Jongerenstatuut” erg centraal.
In mei 1970 diende minister Roolvink (oud CNV-vakbondsman) een voorstel tot wijziging in van de arbeidswet; per1 augustus 1970 trad het arbeidsverbod voor alle 15 jarigen in werking.
Op 1 september 1971 werd de algemene negenjarige leerplicht ingevoerd, als mede de invoering van een partiele leerplicht. Aanvankelijk was er sprake van één dag per week, maar in maart 1974 volgde er een uitbreiding naar tweedagen per week in het eerste jaar en een dag in het tweede jaar.
Steeds duidelijker werd ook de stem vanuit het vormingswerk en met name van de deelnemers aan het vormingswerk, zij het dat hier en daar wel eens de stem van de deelnemers werd misbruikt om het geluid van de vormingswerkers te versterken.
Sommige vormingscentra werden actiecentra voor positieverbetering van werkende jongeren en dan met name voor de invoering van een vormingsplicht. De samenwerking tussen de vormingscentra op landelijk en plaatselijk niveau stond soms onder zware druk door deze politisering van centra.
De tijdgeest van de zestiger jaren (radicalisering van de samenleving) liet het vormingswerk dan ook niet ongemoeid. Het leidde in de IJmond tot een tweetal conflicten, een bij het KVC in 1970-1971 en een bij de MAS in 1974. We komen daarop nog terug, omdat het de gegroeide samenwerking tussen de vormingscentra in de IJmond ernstig heeft beïnvloed.
II.1 Mater Amabilisschool
In de IJmond bestond bij de start van het jongenswerk in 1956 reeds het Mater Amabilisschool- werk, zowel in IJmuiden aan de Kennemerlaan 169, waarvan Loekie Suidgeest hoofdleidster was, (later vervangen door Truus Lam) als aan de noordkant, waar Cor Zeelenberg hoofdleidster was.
Kennelijk is deze MAS-IJmuiden snel na 1956 opgeheven, want bij de groei van het vormingswerk in de vijftiger jaren komt deze MAS er niet meer aan te pas.
Er was ook sprake van een zekere rivaliteit binnen de leidinggevenden van de MAS IJmuiden; een krachtig centrum is het nooit geworden.
Later werden IJmuiden-leerlingen per bus naar Beverwijk vervoerd.
De MAS in Beverwijk (geheten de Katholieke Stichting ter verzorging van de Mater Amabilisscholen in Midden Kennemerland” ) werd formeel opgericht op 21 november 1952 door J.W.G.Rijkers, toentertijd gemeente ambtenaar in Beverwijk, later hoofdadministrateur van het Pius X-College ( RK school voor HAVO en VWO, later Augustinus -college geheten en nu onderdeel van het Kennemer -College) ; in politieke zin is JWG (zoals hij in de wandelgangen werd genoemd; hij is nu 89 jaar) actief geweest als D’66 raadslid in Beverwijk. Toch was het werk al in februari 1951 gestart.
Cor Zeelenberg nam in deeltijdbaan( zij was werkzaam als secretaresse bij Harsveld in Velsen-Noord) de leiding van de MA Beverwijk op zich; de eerste aanzetten waren gezet door Cor ’s zuster Riet, die het werk voor een heel korte periode overgaf aan Mevr Storms..
Door het bereiken van minimaal 100 deelneemster (in 1952) kon Cor aangesteld worden als hoofdleidster, zij werd daarmede de eerste fulltime hoofdleidster. Zij heeft die functie vervuld tot aan maart 1974, toen ze wegens ziekte haar functie niet meer volwaardig kon uitoefenen. We komen daarop bij verschillende hoofdstukken nog gedetailleerd op terug.
In mei 1970 overwoog het bestuur om voor het avondwerk van de MAS een adjunct-directeur aan te stellen en Cor te belasten met de leiding van de Jongerencursus.
Het is niet te achterhalen of zulk een voornemen ooit heeft geleid tot een besluit.
Volgens de statuten zou het bestuur bestaan uit vertegenwoordigers van: katholiek vrouwelijk jeugdwerk (KVJ), de werkgevers - en de werknemers -organisatie en van de “ouders van de meisjes” ; de plaatselijke RK Huishoudschool vaardigde zowel de directrice als een bestuurslid af. Men sprak niet over een voorzitter maar over een president.
Op 27 januari 1954 werd een nieuwe stichtingsakte gepasseerd bij de notaris; het enige verschil dat valt te constateren is de gebiedsbepaling. In 1952 werd geschreven over Midden Kennemerland, in1954 ging het over Beverwijk en omgeving.
Principiëler was de statutenwijziging van 28 december 1959; dan breidt de stichting zijn doelgroep uit met het werk voor veertien tot zeventien jarigen, de zogenaamde Jongerencursus.. Reeds in 1955 had de Nationale Stichting voor Mater Amabilis Scholen zijn eigen doelstellingen op die doelgroep aangepast. .
De Beverwijkse Mater had een beste image opgebouwd zowel bij overheid als bij het bedrijfsleven. Hoewel ook hier de leerlingen voor een groot deel uit de middengroepen van de samenleving kwamen, waren in tegenstelling tot het gemiddelde landelijk beeld, de echte fabrieksmeisjes hier redelijk goed vertegenwoordigd..
De Mater had strakke afspraken met een paar “grootleveranciers”van leerlingen, zoals Berghaus (dames lingerievervaardiging) en de Breedband.
De Mater Beverwijk trad ook veel naar buiten met schitterende en goed georganiseerde culturele activiteiten; jaarlijks ging men met talloze groepen op vakantie; van de diploma -uitreiking werd een groots feest gemaakt.
Vanaf het eerste begin zijn er vanuit de Levensschool met de leiding en het bestuur van de MAS uitstekende relaties geweest, welke aanvankelijk geleid hebben naar gemeenschappelijke activiteiten (o.a. de bekende MALS-kampen) maar geleidelijk uitgroeiden naar een integratie van programma’s en deelnemers.
De samenwerking leidde ertoe dat de potentiële deelnemers gelijkelijk over de drie centra werden verdeeld
In het cursusjaar 1972-1973 was er in formele zin sprake van de toelating van jongens tot het vormingscentrum Mater Amablis. Deze veranderingen maakten het wel noodzakelijk, dat nog eens de statuten moesten worden bijgesteld in 1973.
Van de bestuursleden van de MAS werd reeds genoemd de naam van de voorzitter J.W.G.Reykers, we gaven al enkele antecedenten over hem prijs. Voorts Mevr. Linnenbank, A. van Lent, (latere voorzitter), Mevr. P.C.M. Kooter-Hoogbergen, J.Z.Bouma, H.J. R Schram, P.E.Kruidenberg, Theo van Galen (later in dubbele penningmeesters -functie bij AA), aalmoezenier Piet Stam.
II.2.Neutrale vormingswerk
Het niet katholieke vormingswerk voor meisjes had zowel in IJmuiden als in Beverwijk een vestiging, maar stond onder één bestuurlijke leiding; de Zonnebloem- Klimop was gevestigd aan de Alkmaarsweg 440 en in IJmuiden aan de P.J.Troelstraweg 20.
Veel eerder dan dat bij het RK vormingswerk het geval was, werd het gehele neutrale vormingswerk van de zuidkant alswel van de noordkant onder één bestuur gebracht.het Kennemer Vormings Centrum, KVC.
De toenmalige directrice van het meisjeswerk Hennie Visser (geboren te ’s Gravenhage op 1-10-1930 en overleden te Alkmaar op 3 mei 1999) werkte zelfstandig onder de directeur van het KVC Jan Visscher en zijn opvolgers
De centra in de IJmond waren aangesloten bij het Nationaal Centrum Vormingswerk voor Werkende Jongeren (Amersfoort).
Toen het Levensschoolwerk begon in oktober 1956 was Joop van der Schoor al enige tijd werkzaam als algemeen schoolleider bij het KVI, Kennemer Vormings Instituut, later dus KVC.
Joop was een rasechte IJmuidenaar met ongelooflijk veel kennis van de stad en de streek en met erg veel relaties, hij was openhartig en hartelijk in de samenwerking,het was om zo te zeggen “een gemakkelijke bink “.
Hij had voor het vormingswerk aan de zuidkant in IJmuiden de bovenste verdieping gehuurd van een voormalig klooster naast de katholieke kerk aan de Kanaalkade; de benedenverdieping was bestemd voor het buurthuiswerk (“De Brulboei” geheten) dat toen onder leiding stond van Gerrit in ’t Hout, de latere cultureel ambtenaar van de Provincie Noord Holland.
Op onze verdieping was een eigen kantoorruimte voor zowel KVI als AA ,- en gemeenschappelijk te gebruiken lokaliteiten voor de “Theoretische vorming”en voor de handvaardigheid; het onderdeel sport konden we uitvoeren in een gymnastiekzaal.
Joop reed op een motor, waarop/mede hij samen met Cor Zeelenberg of Ton van Herpen werkgevers ging bezoeken om deelnemers te werven; aan deze wijze van werven konden prettige kanten zitten…!!.
Joop had inmiddels bij hoogovens geregeld, dat het jongenswerk op een aardige groep deelnemers konden rekenen; de verdeling “rooms en niet- rooms” leverde geen enkel probleem op. Joop was loyaal en goudeerlijk hij was een wilde avonturier, maar tegelijk een vorstelijke collega.
Hij is niet lang gebleven; hij werd door het bestuur vervangen door de aanstelling van Jan Visscher, een heel wat degelijker maar ook deskundiger collega. Joop kreeg via zijn relaties in het KVI-Bestuur (waarin hoge pieten van HO zaten) een baan bij Voorlichting van Hoogovens; aldaar ontmoetten de oud collegae elkaar nog veel malen., tot wederzijds genoegen.
Jan Visscher is directeur gebleven tot aan de perikelen in de zeventiger jaren, waarover in hoofdstuk Conflicten bij het KVC nader wordt ingegaan.
Zijn opvolger voor ruim een jaar was Piet Dekker; ook diens opvolger Ronnie de Pauw bleef maar enige jaren; per 1 november 1974 werd Ren den Hollander directeur van het KVC
Hoewel de samenwerking tussen de besturen en staven MA/AA en KVC spaak liep door het conflict in de zeventiger jaren, is over het algemeen harmonieus met elkaar gewerkt aan een stevig stuk vormingswerk in de IJmond.
Wat het KVC en AA betreft culmineerde die samenwerking in het plan om te komen tot een gemeenschappelijk gebouw met eigen werkruimte in Velsen Noord.
Gedetailleerd komen we op de bouw van dit centrum aan de Heirweg 2 /Wijkermeerweg 1nog terug.
II.3. Katholieke Levensschool dr Alfons Ariëns
De stichting is in 1955 opgericht op initiatief van de Stichting Opbouw Katholiek Kennemerland, de STOKK: drs Ad Boelen was daarvan de directeur; het bureau was gevestigd aan de Prins Bernhardlaan 6 in Beverwijk.
Voorzitter van de Levensschool was dr K.Groensmit, rector van het Pius X College, een geboren en getogen Twentenaar Het instituut is ongetwijfeld op voorstel van Groensmit naar Alfons Ariëns genoemd, overigens een zeer terechte en toepasselijke naam.
Jarenlang vierden de stafleden van AA zijn geboortedag op 26 april door een bezoek aan het graf van Ariëns in Maarssen, voorafgegaan door een misviering met die onvergetelijke aalmoezenier Jaap Hoogervorst. Na de viering de fameuze kelk bezien in de kerk, een bezoek aan het graf en dan biljarten, koffie drinken en wat eten en dan volgde er nog een variabel programma voor de rest van de dag.
Niet alleen de stafleden, maar ook de deelnemers werden in de eerste jaren via filmstroken of via mondelinge informatie geïnformeerd over Ariëns.
Voor zover is na te gaan, is er geen ander instituut geweest, welke naar Ariëns is genoemd; sowieso waren aan vormingscentra namen verbonden !.
Karel Groensmit werd al snel vervangen door Louis Eggermont, een leraar Frans, een heel beminnelijke en betrokken kerel die het levensschoolwerk een goed hart toedroeg. Hierna volgden drs A.Boelen hem op en tenslotte was Cees de Goede de laatste voorzitter van de zelfstandige AA-stichting.
Secretaris van de stichting was mijn oud-KAJ-collega Chris van Eerden; een intelligente maar uitermate eigenwijze en bemoeizieke man. Zijn spoedig vertrek heeft niemand ooit gespeten; zijn opvolger was Piet Stam, toentertijd verbonden aan het gewestelijk arbeidsbureau, dat nog een kantoor hield aan de Jan Vermeyenstraat in Beverwijk; met Piet was het allerprettigst werken. Hij bleef secretaris tot aan 1 januari 1975.
Penningmeester was “de heer van Hattum”, later bleek dat hij Jan heet ! Hij was een zeer verdienstelijk verkennerleider/ hopman en was werkzaam op het notariskantoor aan de Velserweg. Hem is niet te verwijten, dat hij ooit iets van het vormingswerk heeft begrepen. De stafleden met name waren wel erg van hem afhankelijk, vooral omdat zij graag op tijd hun maandelijkse salaris wilden ontvangen. Daar begreep hij helemaal niets van ! Hij deed al zoveel jaren verkenners -werk voor niets en zij klaagden steen en been als ze de tiende van de maand het salaris van de afgelopen maand nog niet hadden ontvangen !
Ook zijn zittingsperiode duurde gelukkig kort; zijn opvolger werd van Ton van Roermund, een man uit het bankierswereldje; maar hij verzorgde zijn zaken prima en ik had jarenlang een uitstekende relatie met hem.
Voorts maakte deel uit van het bestuur Rector Hogema ,-nog steeds in leven en woonachtig in Uitgeest,- Dam Hienkens (op 5 december 2002 overleden) die een gereedschapwinkel had aan de Boeweg 3 in Beverwijk (en die ons de gehele inventaris voor de handvaardigheid leverde; tegenwoordig zou zoiets niet meer kunnen), een echte verenigingsman. Aalmoezenier Jaap Hoogervorst (verbonden aan het bedrijfsapostolaat) was EN bestuurslid EN Staflid –aalmoezenier.
Wat een voortreffelijke kerel hebben we aan Jaap Hoogervorst gehad; lang na zijn vertrek uit Beverwijk onderhield hij nog met plezier contacten met zijn voormalige stafleden van AA..
Zes weken na de start (om precies te zijn op 21 november 1956) startte de levensschool met de eerste groep in Beverwijk; deelnemers kwamen van Ceta Bever, Hoogfovens, Plaatwellerij en nog wat kleine bedrijven.
De stafbezetting bestond uit de algemeen leider Ton van Herpen en een uurdocent Ber Dekker. Er werd gestart met drie groepen in Beverwijk en één groep in IJmuiden, steeds voor een halve dag per groep.
Alles was aan improvisatie onderhevig: hulpmiddelen in de sport, bij de handvaardigheid en voor de gesprekken waren er niet of in onvoldoende mat; er was geen duidelijk beeld wat we aan een programma voor een heel jaar zouden kunnen aanbieden. Er was wat voorinformatie bij collegae elders in het land, maar die worstelden feitelijk met hetzelfde probleem, want ook zij waren nog maar net een jaar geleden of in dat zelfde jaar gestart. Ervaringen met het avondwerk waren niet zo maar over te plaatsen naar het dagwerk, het ging om een andere aanpak.
Op administratief vlak was nog weinig aanwezig.
Er was ook feitelijk nog geen geld, sterker er werd aan de leiding gevraagd om af te zien van 20 % van het inkomen omdat het Rijk nog maar voor 80% subsidieerde en de gemeenten noch de werkgevers nog niet bijdroegen. Er was één rijkdom: elke week waren er nieuwe ervaringen, die bruikbaar te maken waren.
Het bestuur maar ook de staf wilde nog in het eerste trimester starten, ook al vanwege subsidie -technische redenen, maar het was allesbehalve een geklust karweitje !
III.GEBOUWEN VAN HET VORMINGSWERK
III. 1 Mater Amabilisschool
Zoals reeds is opgemerkt bediende de MAS en het Zonnebloem-Klimop werk zich voor haar werk met boven- 17 jarigen voor een heel belangrijk deel van de huishoudscholen in de regio.
Dat was voor de MAS Beverwijk vanf 1962 de rk huishoudschool LIA aan de en voor Zonnebloem de Gemeentelijke huishoudschool, welke toentertijd gehuisvest was aan het Moensplein 3 in Beverwijk.
De MAS Beverwijk had bij de start kantoor gehouden bij de familie Zeelenberg aan de Stumpiusstraaten later in het zogenaamde KAJ-gebouw aan de Peperstraat 44 in Beverwijk, op de benedenverdieping.
De MAS Beverwijk kreeg bij de start van de Jongerencursus de beschikking over een nieuw gebouw aan de Schouwenaarstraat in Beverwijk; het gebouw werd geopend op 10 december 1963.
Toen die accommodatie te klein was geworden, werd het gebouw over gedaan aan de Levensschool en kreeg de MAS een nieuwe tijdelijke locatie in Heemskerk aangeboden:
de tweede en derde verdieping van de voormalige Josefschool aan de Verherentstraat 1a; deze tijdelijke huisvesting werd 2 mei 1972 feestelijk geopend..
Midden 1973 kreeg de MA toestemming voor de bouw van een geheel nieuw vormingscentrum, waarvan de realisatie plaats zou vinden in Heemskerk aan De Velst.
In 1974 kon men dit geheel nieuw gebouwd pand in gebruik nemen..
Ook bij het tot stand komen van dit nieuwe pand had Cor Zeelenberg een belangrijk aandeel.
Zijzelf had daarvan niet veel genoegen beleefd.
De democratiseringsperikelen, welke men bij de KVC had overwonnen, tekenden zich in 1974 af binnen de MA.
Dat proces in combinatie met een opdringende ziekte bij Cor maakte het noodzakelijk om een vervanger voor Cor Zeelenberg te gaan zoeken.
In maart 1974 concludeert het bestuur dat “Cor Zeelenberg voorlopig geen vormingswerk zal verrichten. Wel zal zij de nieuwbouw verder begeleiden.”
Cor heeft zich in haar laatste periode aan de MA zeer intensief bezig gehouden met het tot stand brengen van het nieuwe gebouw van de MA in Heemskerk; de tijdelijke huisvesting in de voormalige Jozefschool aan de Verherentstraat moest per 1 juni 1974 zijn ontruimd. Ondanks allerlei tegenslagen gelukte het haar om het gebouw tijdig op te leveren; de officiële in gebruikneming heeft Cor niet meer actief meegemaakt.
De naamgeving voor het Velst-gebouw was zulk een typisch voorval, waarbij tussen het team en het bestuur een heftige woordenwisseling ontstond. De staf ( of althans een spraakmakend deel daarvan) eiste het recht op om een naam aan dit vormingscentrum te geven en gaf aan het bestuur de keuze tussen De Barricade of De Geus. Het bestuur accepteerde noch de procedure noch de naam en besloot het gebouw ,-op voorstel van Cor Zeelenberg ,die zich gesteund wist door een deskundig advies van gemeente -ambtenaar Gerard van Wijk) “De Velst” te gaan noemen. Met die naam ging het gebouw de geschiedenis in, ondanks een nog eens herhaalde poging van de staf tot naamsaanpassing!
Na deze verloren discussie, richtte men zich op de inhoud en plaats van de directeur.De ziekelijke Cor wilde noch kon dat gevecht aan.
Enkele jaren later heeft een brand het gebouw voor een groot gedeelte verwoest; de voornaamste strijder voor de geuzennamen (Kees Heyligers) zwaaide toen de scepter; na de herbouw haalde Kees zijn gram door in navolging van de andere centra de naam De Velst te wijzigen in Wijkermeercentrum. Het gebouw werd geopend op door het toenmalige Statenlid Ton van Herpen.
III.2 Levensschool
Bij de start van AA in november 1956 met drie groepen maakte ook de levensschool gebruik van het KAJ-gebouw aan de Peperstraat 44 te Beverwijk. Voor het onderdeel SPORT werd het gymnastieklokaal van de BAVO -school aan de Koningsweg, vlak achter het KAJ-gebouw gebruikt. Voor de handvaardigheid was men aangewezen op een gedeelte van de eerste verdieping van het KSA-gebouw aan de Peperstraat.. Al deze gebouwen zijn gesloopt
Op 12 juli 1958 konden Bestuur en staf van AA een eigen gebouw openen aan de Brink 45 te Beverwijk
Dat de levensschool zo snel geholpen was aan deze noodlokalen was voor een groot deel te danken aan de toenmalige burgemeester van Beverwijk de heer Bruinsma, bij wie Ton van Herpen zijn nood kwam klagen op het burgemsstersspreekuur.Hij nodigde Ton uit om een rondrit te maken langs een aantal opties inde stad, maar concludeerde dat een houten noodgebouw de enige goede oplossing was. Die kwam er toen ook en nog vrij snel ook. Hoewel de samenwerking met het KVI heel goed was, kwam het kennelijk niet bij iemand van AA op om de accommodatie gemeenschappelijk te gebruiken.
Aan de zuidkant had het KVI (samen met ons ) een pracht gebouw,-de tweede verdieping van de Brulboei.. Kennelijk zijn alle groepen van het KVI in De Brulboei ondergebracht.
Halverwege 1962 kreeg de levensschool/kvc -combinatie toestemming de grond aangeboden van de gemeente Velsen voor de bouw van een gemeenschappelijk vormingscentrum aan de Heirweg in Velsen Noord.
Het duurde nog zes jaren alvorens met de bouw kon worden begonnen !
In april 1968 werd door de toenmalige wethouder van Onderwijs vn de gemeente Velsen de eerste steen gelegd.
Op woensdag 26 maart 1969 werd het gebouw feestelijk geopend met toespraken van een directielid van Hoogovens drs Davids en het Tweede Kamerlid Cor Kleisterlee.
Bij een verdergaande samenwerking kwam AA bij de aanvang van het werkjaar 1972-1973 in het bezit van een voormalige ruimte aan de Stumphiusstraat in Beverwijk. Op 24 november nodigden Ger Bart, Yvonne Hartgring en Mriuanne Kroon belangstelleden uit om waar te nemen wat ze van het gebouw gemaakt hebben.
Maar een jaar later alweer ,-in november 1973 ,-sprak Gerard Bart als Stumphius-coördinator zijn zorg uit over het verkrotte gebouw. Er werd overwogen om het gebouw over te dragen aan de katholieke huishoudschool LIA (Liefde in Ales).
Maar LIA is noch niet geïnteresseerd in de Schouwenaerstraat noch in de Stumphiusstraat; Omdat het gebouw van AA en KVC in Velsen Noord geheel benut gaat worden tbv het SAVOY-project en de ruimte in de Stumphiusstraat niet meer kan voldoen, worden pogingen in het werk gesteld om het voormalige MA gebouw aan de Schouwenaarstraat over te dragen aan de Levensschool.
III.3 KVC
Het KVC heeft na de Brulboei nog lange tijd een dependance gehandhaafd in noodlokalen aan de Willibrordstraat in IJmuiden.
In 1970 kreeg het KVC de beschikking over een royaal pand aan de Hoofdstraat in Santpoort, het oude CUSA-gebouw, waarvan de coördinatie aan Truus Schijf was opgedragen. .
IV. BESTUUR EN STAFLEDEN VAN HET VORMINGSWERK ALFONS ARIENS
A. BESTUURSLEDEN
Voorzitter;
dr K.H.Groensmit, rector van het PIUS X Collee in Beverwijk, vanaf de oprichting.
J.L.Eggermont, leraar Frans aan het Pius X College te Beverwijk
drs M.J.A. Boelen, orthopedisch chiruch aan het Rode Kruisziekenhuis te Beverwijk
C.M. de Goede, directeur ASPA Zaandam en Drukkerij de Goede Beverwijk
Secretaris:
Chr van Eerden, vrijgesteld leider van de KAJ District Kennemerland
P.J.Stam, medewerker Gewestelijk Arbeidsbureau, medewerker Peregrinuisstichtitng
Penningmeester:
J. van Hattum, chef notariskantoor Bremmers, Engelhard en Hoekstra.
A.P.W.J van Roermund, Treasury van Mees Pierson, v/h Bank Mees en Hope NV
Th.C.N. van Galen, Hoofd administratie RK Technische School St Eloy te Beverwijk, later van de school aan de Baandert teHeemskerk
Bestuursleden:
Aalmoezenier J.Th Hoogervorst, aalmoezenier Bedrijfsapostolaat Beverwijk
Aalmoezenier H.As, aalmoezenier EIBA Beverwijk
Moderator/Pastoor A.J.Hogema, Rector Technische school Beverwijk, Pastoor Uitgeest
J.C. Mol, directeur RK LEAO Beverwijk (1921-1987)
D.J.M.Hienkens, Ijzerwinkel en later gereedschappenwinkel in Beverwijk
Th.C.Witte, wethouder Gemeente Velsen
C.M. de Goede, directeur Kantoorbedrijf en drukkerij
Th.Winnubst, directeur RK Technische School St Eloy Beverwijk
Th. De Ridder te Beverwijk
B. STAFLEDEN
De stafleden zijn in alfabetische volgorde opgenomen:
Peter Aertssen
Peter werd benoemd in 1966 na het vertrek van Huub van Dalsum
dr Harry As
Harry As is van origine verbonden aan een reguliere orde binnen de RK Kerk, t.w. de Oblaten van Maria; hij is theoloog
Hij volgde aalmoezenier Jaap Hoogervorst in 1967 op, toen die benoemd werd tot Pastoor in Volendam.
In de voortgaande samenwerking met de andere centra wordt zijn functie wat onduidelijk. In december 1973 beluiten MA en AA dat Harry zijn functie vooral waar kan maken in de contacten met de vormingswerkers en niet met de deelnemers; zijn achtergrond en zijn werk bij EIBA (Evangelie en Industrie Bedrijfs Apostolaat) waren voor de leiders/sters een belangrijke voedingsbron. (PM :de lezingencyclus over MARXISME)
Gerard Bart
Was aanvankelijk groepsleider in de Zaanse Levensschool. Enige tijd combineerde hij die functie met een functie aan de Levensschool Alfons Ariëns. Hij werd later benoemd tot directeur van het christelijk vormingscentrum in Schagen.
Anky de Boer
Ze was (volgens de toenmalige directeur van de
RK LEAO Mol aan de Brink, de beste leerling van de hele jaargang.
Toen Leny
Lubbers ontslag had genomen, kon Anky onmiddellijk overstappen naar een functie
op de levensschool;
ze is dat gebleven tot ?
In de aanbeveling van Mol was niets overdreven !
Bert Bouwer
Was korte tijd sportleider
Huub van Dalsum
In 1960 kon het vormingscentrum AA zich de aanstelling permitteren van een fulltime leider.
Huub van Dalsum was bekend vanwege zijn functie op het landelijk secretariaat van de KAJ; Huub was een heel creatieve en oorspronkelijke leider. Hij is tot 1966 bij AA in dienst gebleven.
Hij had een aantal toneelstukken geschreven en zijn grootste hobby was regisseren van toneelgroepen. Dat deed hij ook vol overgave en deskundigheid op de levensschool. Hij presteerde het om bij het eerste lustrum in 1961 in het Kennemer Theater een toneelstuk op te voeren (De drie musketiers, van zijn eigen hand) met inzet van een groet groep jongens; hij zette daarbij ook meisjes van de MAS in en bouwde daarmee aan de eerste contacten met onze vrouwelijke collega’s. Samen met Ber Dekker werden de decorstukken tijdens de handvaardigheid gemaakt.
Hij werd in 1966 benoemd tot directeur van de Levensschool in Leiden.
Ber Dekker
De eerste collega van de Levensschool dr Ariens was Ber Dekker.
Bij de start van de groepen op 21 november 1956 was Ber al bij het vormingswerk betrokken als handvaardigheidsleider en sportleider ; hij nam qua uren de meeste tijd met de jongens in beslag, want van de vier uren waren er twee voor handvaardigheid en één voor sport gereserveerd.
Hij was aanvankelijk als uurdocent in dienst;
op de dagen dat er groepen waren, gingen algemeen leider en vormingsleider samen
op de motor van Ber van Wormerveer (woonplaats Ber) via Zaandam (woonplaats Ton
van Herpen) naar Beverwijk of IJmuiden.
Rond kwart over zeven gingen ze via Assendelft en de Communicatieweg naar Beverwijk of naar IJmuiden.
De professionele motoruitrusting van Ber stak
nog al scherp tegen de amateuristische kleding van Ton;
de laatste was helemaal
niet op dat vervoer gekleed; hij droeg zo’n Lindberg -cap en tijdens die motorrit
bood de brede rug van Ber enige beschutting.
Dat zorgde bij aankomst op de
werkplek nog al voor wat hilariteit !
Ber was een voorzichtige, maar ook een snelle rijder. Op een keer moest hij uitwijken en slingerend in de berm tussen paaltjes en boompjes belandde hij weer op de weg !
Toen Ber eenmaal een wat vaster dienstverband
kreeg, kocht hij zijn eerste auto: de GOGOMOBIL. Welk een comfort !
Hij ging er
ook mee naar zijn opleidingscursus in Den Bosch en als dat zo uitkwam reden Ber en Ton
dat stuk ook samen.
Hoe dat kwam is nooit bekend geworden, maar tijdens een van
de ritjes draaide de auto echt helemaal een keer om zijn as, om daarna de route
weer te vervolgen.!
Bij strenge winterkou, kreeg Ton tot taak om constant de
voorruit te bewasemen om een redelijk uitzicht te garanderen.
Met Ber was het werken altijd een genoegen.
Hij bleef in het algemeen graag bij de theorielessen, zoals het derde onderdeel van het programma heette. In dat onderdeel deden we aan actualiteiten en culturele vorming.
In juni 1960 is hij getrouwd met Riet Beerepoot; ze kenden elkaar al geruime tijd van zijn geliefde vrijetijdsbesteding: de volleybalsport.
In 1981 vierde men zijn 25 jarig dienstverband met o.a. een volleybalwedstrijd tussen een team van Ber met zijn kinderen en een team van zijn collegae van het toenmalige vormingswerk.
In september 2002 verscheen een interview met hem in het Heemskerkse parochieblad HELM; hij werd betiteld als een absolute duizendpoot. Dat was Ber ook in de meest uitgebreide interpretatie: hij maakte wat hij zag en wat hij niet zag ontwierp hij.
In 1987 heeft Ber het levensschoolwerk verlaten.
Er is geen vormingsleider geweest die zulk een lang dienstverband op zijn naam kan schrijven.
Theo van der Does
Was een bekende in de
kringen van de KAJ: hij heeft
klange tijd gefunctioneerd als districtsleider.
Hij zou een aanstelling krijgen als leider van de levensschool in
Haarlemn en heeft een vrij lange periode stage
gelopen in de IJmond bij AA.
Op 19 mei 1983 verhuisde hij met zijn gezin (Jeanne,
Sandra, Eric en Anita)
van de Stumphiusstraat 6 in Beverwijk naar
Starnmeerdijk1 in oost Knollendam
Op 23 februari (1990 ?) nam hij afscheid ( na
zich 31 jaren op een geweldige manier ingezet te hebben om problematische en
kandsarme jongferen
bij het onderwijs te blijven betrekken en ze mede daardoor te helpen een
gezonde toekomst op te bouwen)Zijn opvolgster
was Eugenie.C.J de Koning
Ko Elieveld
Ko was voor zijn oorspronkelijke functie afgekeurd; hij ambieerde nog een baan.Hij was lid van een drumband; zijn instrumentarium kreeg een plekje in het Vormingscentrum in Velsen Noord; daar liet hij een trommel achter, welke veelvuldig door amateurs werd gebruikt.
Mary Franken
Mary heeft een tijdelijke aanstelling gekregen van 1 augustus 1974 tot aan 1 november 1974, met een mogelijkheid tot uitbreiding naar 1 augustus 1975 als de formatieregeling dat zou toestaan.
Rob Goedhart
In september 1964 werd benoemd tot sportleider Rob Goedhart; hij bleef in dienst tot januari 1967; hij verkoos het vrije sportleiderschap. Hij was opgeleid op het toenmalige CIOS in Overveen
.Grote bekendheid/beruchtheid kreeg hij door het bouwen met de deelnemers van een stormram naast het gebouw aan de Brink; de jongens vonden het prima, de pers minder !
Die vond het maar militaristisch ! Dat was het ook wel een beetje ! Maar het functioneerde uitstekend.
Inge Goris
Inge is per augustus 1974 in fulltime dienstverband tijdelijk aangesteld tot 1 november 1974, met een automatische verlenging tot 1 augustus 1975 indien de formatieregeling zulks zou toestaan.
Kees Groot
Na het vertrek van Piet Kos, wegens zijn benoeming als administrateur aan het ASTAMA CENTRUM in Davos (Enkele van zijn voormalige collega’s hebben hem daar eens opgezocht !) kon Kees worden aangesteld.. Kees en Ton van Herpen kenden elkaar al van jaren her uit het verenigingsleven in Zaandam.,Kees werkte bij een houthandel Dekker in Zaandam; dat bedrijf ging fuseren met als gevolg dat een aantal medewerkers werd ontslagen.
Kees was een beleidsondersteunende medewerker, waarvan het werk en de staf heel veel profijt hebben gehad.
Jan Halkes
Jan heeft maar een jaar op ons centrum gewerkt; hij had voor die tijd uitgesproken opvattingen over de doelstellingen van het vormingswerk eb de betrokkenheid van stafleden, welke niet door alle stafleden werden gevolgd. Aan het begin van een dreigend conflict koos hij in goed overleg de wijste beslissing en vroeg om ontslag. Zijn uiterlijk verraadde iets van zijn opvattingen. Jan was een heel zachtmoedige en hartelijke collega.
Cor Hartland
Cor kwam van de pedagogische academie en trad in dienst op het hoogtepunt van deelname aan het vormingswerk. Hij deed zijn werk voortreffelijk. Hij was nog maar net getrouwd, zijn vroue (eveneens van de PA) had geen baan kunnen vinden. In 1977 bleek dat hij moest worden ontslagen wegens overbezetting; Ton van Herpen had het voornemen om zijn verdere toekomst in de politiek door te brengen. Om Cor te handhaven vroeg hij ontslag, waardoor Cor kon aanblijven. Later is hij benoemd aan het Horizont-college in Alkmaar, waar hij een collega werd van Marianne Kroon.
Yvonne Hartgring
Maartje ten Hengel
Ton van Herpen
Ton van Herpen (landelijk secretaris van de KAJ in Utrecht) werd in maart 1956 door aalmoezenier Hoogervorst en Chris van Eerden (bestuursleden van de stichting AA) gevraagd of hij belangstelling had voor de functie algmeen leider van de opgerichte Levensschool dr Ariëns.
Op 1 oktober 1956 begon Ton aan zijn nieuwe baan in Beverwijk.
In Beverwijk was er geen kantoor. Wel kon het vormingswerk in het KAJ-gebouw aan de Peperstraat (boven de MAS) een ruimte gebruiken voor de theorielessen; aan de overkant stond een kapitaal pand “De KSA”, waar een handvaardigheidlokaal kon worden ingericht, voor het onderdeel sporten kon het gymnastieklokaal van de Katholieke BAVO school, schuin achter het kantoor van de Peperstraat, aan de Baanstraat gelegen, gebruikt worden.
Via de Zaanse Levensschool (Piet Timmer penningmeester van de stichting en oud districtsleider van de KAJ) ontstond het eerste contact met Ber Dekker
Sjef de Heij
Frits Hilgers
Frits is als stagiaire komen werken op het vormingscentrum AA; zijn toenmalige verloofde Ties Michielse was als stagiaire werkzaam bij de MAS in Beverwijk
Aalmoezenier Jaap Hoogervorst
Vanaf de start van de levensschool is Jaap Hoogervorst (geboren op 23 februari 1929 en priester gewijd op 22 mei 1948) bij het werk betrokken; zowel als bestuurslid, als in de functie van staflid -aalmoezenier. Hij was zeer begaan met het werk en bleef tot aan zijn overlijden beklemtonen, dat die periode de mooiste uit zijn hele leven is geweest. Hij vulde programma -onderdelen in met name rondom Kerstmis en Pasen; hij nodigde dan alle groepen op zijn kamer uit en praatte met de jongens over de betekenis van deze feesten. Hij was een waardevol adviseur van de staf en een hartelijke vriend van zeer velen.Hij was vanaf 1955 verbonden aan het bedrijfsapostolaat in Beverwijk. Na zijn benoeming in 1967 als Pastoor in Volendam zijn er nog contacten gebleven tussen hem en Ber Dekker en Ton van Herpen. Hij ging met emeritaat in 1988, bleef in Volendam wonen en overleed op
Gerard Imming
Op 13 december 1973 besluit he bestuur op advies van de staf om Gerard Imming te benomen tot adjunct-directeur, zonder recht van opvolging. Na een jaar wordt de aanstelling definitief.
Riet Karsenbarg
Elly Klinkenberg
Piet Kos
Ries Kosse
Jos Kroon
Marianne Kroon
Was werkzaam op het kantoor van Thuiszorg in Alkmaar.
Zij zou in augustus 1974 gedetacheerd worden vanuit AA bij de MA samen met Gerard \Imming.Maar aan de voorwaarden, welke aan deze detachering werden gesteld, wilden beiden zich niet binden en de detachering ging niet door. (“AA zou feitelijk één collega moeten ontslaan en bij MA waren drie vacatures” ,-DB verslag 20 juni 1974)
Vanuit haar opleiding gedurende haar wektijd
bij AA liep ze stage bij Hoogovens; daarna volgde ze een volwaardige HBO
opleiding; ze kreeg een aanstelling bij de Streekschool Alkmaar-Heerhugowaard;
na fusering van deze instelling trad ze in dienst bij Horizont-College, alwaar
ze een directiefunctie vervulde.
Mevr. Krottjé
schoonmaakster van de gebouwen aan de Brink 45 te Beverwijk. Ze woonde in de Hendrik Mandeweg
Yvonne Leguit
Na één jaar vormingswerk op AA vertrok ze per 1 augustus 1974 naar een nieuwe baan in het oosten van het land:. Heerde
Leny Lubbers
Vanaf 1964 tot januari 1967 administratief medewerkster AA.
Jan Poot
Maria Randoe
Op haar verzoek is zij eervol ontslagen per 11 augustus 1974
Dirk Ranzijn
Anneke Rietbergen
Trineke de Ruyter
Ria van der Steeg
Alfred Terstegen
Peter Velzeboer
Mieke de Vos (stagiaire Sociale Academie)
Ad Weterings
Hannemiek de Wolff
Thea Zoet
De intensieve samenwerking tussen MA, KVC en AA kreeg een heel gevoelige knak in 1971.
Helemaal in stijl van de zestiger-zeventiger jaren ,-gevecht tussen de formele zetelende macht en de opstandige naoorlogse jonge kracht ,- brak binnen de staf van het KVC een ernstig conflict los.
Het ging daarbij om ruw geschetst de volgende (opeengestapelde) problemen:
a. bezwaar tegen de ongedeelde macht van de directeur
b. een strijd (te samen met de doelgroep) tegen de blijvende achterstelling van werkende jongeren, in stand gehouden door het economische en politieke establishment
c. verondersteld gebrek aan kwaliteit en motivatie bij een aantal nieuw aangestelde collegae, waardoor de emancipatie van de werkende jongeren niet op gang kwam.
Het conflict kwam naar buiten, toen in de herfst van 1970 een discussie over de doelstellingen van het vormingswerk verzandde in een discussie over de plaats van de directeur.
De gesprekken verhardden later in het cursusjaar toen er gesproken werd over de vervanging van KVC-directeur Jan Visscher (hij werd directeur van de Heemskerkse Gemeenschapsraad) De opponenten zagen de noodzaak van de aanstelling van een nieuwe directeur niet zitten; uitbreiding met een staflid en een collectief leiderschap zou uitstekend kunnen functioneren.
Binnen het bestuur dreigden voorzitter, secretaris en penningmeester met aftreden als geen nieuwe directeur werd benoemd. Het compromis werd gevonden in de aanstelling van een zogenaamde horizontale directeur; de leiding zou komen te liggen bij de directeur en twee
Stafleden. Maar de vraag werd; welke stafleden ?
Het volgende probleem culmineerde rondom de discussie over de methodiek en de doelstellingen van het vormingscentrum. :
”Bij het vormingswerk zit nog te veel het idee voor van bezig houden en recreatie. Als je ze aan het denken wilt zetten blijkt hun taalvaardigheid zeer minimaal”, aldus Koos.
Op eigen houtje besloot de staf, dat men veertien dagen zou uittrekken om met elkaar over de problematiek te gaan praten; om die reden het vormingscentrum sluiten, durfde men kennelijk niet aan. Besloten werd dat de deelnemers in die veertien dagen zelf hun programma konden invullen !
Collegae van andere centra werden er op aangekeken; : “Is dat vormingswerk ? Aantallen deelnemers zwerven in de Breestraat rond.”
Enkelen gingen terug naar hun bedrijf, nu er geen vormingswerker in het gebouw te vinden was.
Na die twee weken kwam men er met de discussie over de doelstelling niet helemaal uit, omdat de “kwaliteit van de stafleden niet voldoende was en met name gold dat Ewald en Marjan.
Bij het probleem c. ging het voornamelijk tegen Ewald Klaui en Marjan van der Voort. Hoewel het Bestuur het probleem niet erkende (: “Ewald is bereid tot een aanvullende opleiding en toont aan dat hij daarmee bezig is en geweest is” en “Marjan van der Voort is een gekwalificeerde leidsters”.) bleef het probleem boven de tafel hangen..
Overigens hadden collega-stafleden bij MA en AA geen enkel probleem met de beide bekritiseerde vormingswerkers.(NB de eerst genoemde is later landelijk bekend geworden als directeur van een overkoepelende zorginstelling geworden, welke een voorbeeld is geworden
voor de samenwerking tussen thuiszorg, verpleeghuis en verzorgingshuis - instellingen!. Marjan is nog steeds binnen het ROC Haarlem werkzaam !)
Het moet overigens de betrokkenen erg pijnlijk hebben geraakt, dat de kritiek op hun functioneren openlijk in de dagbladen te lezen was. Er werd op onverantwoorde wijze over de kwaliteit van Ewald en Marjan publiekelijk geschreven, inclusief foto’s van beiden !
Het is niet meer gemakkelijk om te achterhalen welk probleem feitelijk het hoofdprobleem vormde. Het is niet onmogelijk dat het vertrek van Jan Visscher ( die zich bewust was van hetgeen aan de oppervlak leefde en bewoog) een feitelijke aanleiding was.
Volgens de heer Suurmond (KVC-voorzitter) had dhr Visscher moeite met de nieuwe ontwikkelingen in het vormingswerk; er ontstond een discussie over de vraag welk type leider (een horizontale of een verticale) hem zou moeten opvolgen.
Het KVC-team bestond in die crisisperiode uit elf personen; vier hiervan waren radicaal, zij wilden in korte tijd veel veranderen.
Het Bestuur verleende uiteindelijk na overleg met de landelijke adviseur ontslag aan het viertal, t.w. Koos Zevenbergen (5 jaar in dienst), Ati Jans vanaf september 1970 in dienst) , Hil Konijn ( vanaf maart 1971 met een tijdelijke aanstelling in dienst) en aan Maria Middelhuis (dochter van de bekende KAB voorzitter Toon Middelhuis!) stagiair vanaf september 1970.
De Volkskrant van 2 juni 1971 besteedde ruim 4 kolommen van 40 cm lengte (inclusief een foto van “De vier ongewenste vernieuwers: Hil Konijn, Koos Zevenbergen, Atie Jans en Maria Middelhuis”. )aan de problematiek.
Het werd de collegae van MA en AA te gortig; er moesten afspraken gemaakt worden voor het nieuwe cursusjaar en men wist niet of het KVC wel mee wilde doen. De inmiddels per 1 mei 1971 aangestelde opvolger van Jan Visscher (“horizontaal directeur “werd hij genoemd) Piet Dekker wist zich met het probleem ook geen raad; voorzichtigheidshalve stelde hij zijn verhuizing van Ede naar de IJmond nog maar even uit ; dat bleek erg verstandig, want na een jaar gaf hij de pijp aan Maarten en vertrok per 1 september 1972 !
Op 18 maart 1971 nam de AA-staf stelling tegen de actievoerders van het KVC:”Als er geen duidelijke pogingen zouden worden ondernomen om het vertrouwen te herstellen, dan zouden we niet met elkaar verder gaan
Er waren zorgen over de werving, over de deelnemers -indeling en over de kontakten in het werkveld. Men sprak zijn grote ongenoegen uit over het gemak, waarmee het KVC twee weken lang (zonder enige informatie aan andere collegae) groepen zonder enige begeleiding of met niet professionele leiding in het gebouw zijn bezig gehouden.
De AA-notitie met al dat commentaar was ondertekend door Peter Aaetssen, Harry As, Gerard Bart, Ber Dekker, Maartje te Hengel, Ton van Herpen, Fritrs Hilgers, Gerard Imming, Jan Poot, Anneke Rietbergen, Piet Kos, Anky de Boer en Elly van Dijk. (NB: Van deze 13 stafleden zijn voor de reünie op 13 Mei 2006 10 personen uitgenodigd (Maartje, Jan en Anneke niet !)
Op 18 mei schreven de besturen van AA en MA, dat men de verantwoordelijkheid om potentiële cursisten onder leiding van de huidige KVC staf te plaatsen niet wilden nemen.aan.
Op 10 juni antwoordde het KVC-bestuur dat men gaarne wilde praten.; binnen een week vond er een bespreking plaats, waarbij de staven van MA en AA hun standpunt als volgt formuleerden:
1. Uit de bereidheid om te praten leiden wij af, dat er een bereidheid is een situatie te creëren, die de samenwerking kan garanderen;
2. Vooruitlopend daarop moeten we ons vanaf heden gedragen of de samenwerking al hersteld is.
Kennelijk zat de “tegenpartij” niet stil, want op 14 juni nodigden twee oud cursisten (jaargang 1969-1970) de cursisten (bij AA sprak men altijd over “deelnemers”!) uit om samen met de vier ontslagen vormingswrekers te praten over de doelstelling van het vormingswerk.
Het liep tenslotte voor het IJmond -vormingswerk minder dramatisch af: niet zo met de vier, voor wie het ontslag (na een reparatieprocedure weliswaar, omdat de formele ontslagregels niet in acht waren genomen) het einde betekende van hun betrokkenheid bij het KVC. Inmiddels waren behalve Jan Visscher ook Joop Smit vertrokken.
Ook binnen de MA begon de staf de neiging te krijgen enige sturing te geven aan een vermeend democratiserings-gevoel bij de deelnemers. Er is in het vroege voorjaar van 1974 een landelijke actie gaande om aandacht te vragen voor het jeugdloon; jeugdlonen werden afgeleid van volwassenen lonen met een aflopend percentage naar de leeftijd van 15 jaar. De MA staf vroeg aan het bestuur of de deelnemers ingezet konden worden om spandoeken te schilderen. Het bestuur adviseerde om de actie te laten verrichten in de avonduren, waarbij de KWJ (de opvolger van de KAJ) een gebouw van het vc kon huren. Zo eenvoudig kwam het bestuur er niet van af ! Op 25 april kwam het onderwerp weer terug en er ontstond ,aldus de notulen “een levendige discussie over wel of niet actie voeren door onze vormingscentra.. Vanuit het bestuur werd gevraagd waakzaam te zijn, opdat de discussies over de doelstelling niet de oorzaak zullen worden van een nadelige beïnvloeding van de sfeer in de centra. De staf heeft zich neer te leggen bij het standpunt van de besturen, dat actie voeren bij de vakbeweging behoort. “
In mei beklaagde de staf van MA zich bij het bestuur over een waslijst van moeilijkheden, waarbij de positie van Cor Zeelenberg ook in het geding kwam.
Daar kwam nog een nieuw “probleem “ bij. Er was in Heemskerk een nieuw gebouw gereed gekomen en staf en bestuur werden heg niet eens over de naam ! Voor gedetailleerde verslaglegging hiervan wordt verwezen naar Hoofdstuk III, Gebouwen in de IJmond . Stafleden bleven van mening, dat “actie voeren ingebouwd moet zijn in de doelstelling.”
.
Niet veel later moest bij de MA Cor Zeelenberg het veld ruimen; zij was het boegbeeld van de MA. en had grote bekendheid in het hele land opgebouwd; bij haar speelde een ernstige ziekte een belangrijke rol. We komen ook daarop uitvoeriger terug in Hoofdstuk III.
Zij verdiende een hartelijker vertrek omwille van haar grote verdiensten voor het vormingswerk en met name dat van de Mater Amabilis School.
De samenwerking tussen de drie centra is uiteindelijk weer in een rustig vaarwater terecht gekomen; in Hoofdstuk VI gaan we op de onderlinge samenwerking en op de samenwerking met andere instellingen nader in
VI. DE MOEIZAME WEG NAAR SAMENWERKING
Het gezamenlijke gebouw van AA en KVC in Velsen -Noord leidden tot allerlei aanzetten voor een intensieve samenwerking; leiders en deelnemers maakten gebruik van dezelfde faciliteiten en ontmoetten elkaar en vroegen elkaars hulp en advies in.
Het is daarom zo te betreuren geweest, dat het eerder beschreven conflict binnen de KVC ,-waarvan de toenmalige directeur Jan Visscher ook veel jaren later nog steeds zegt niet te begrijpen, waarom het bestuur in die periode zo tolerant is geweest,- aan die spontaan gegroeide samenwerking.
De directeuren van de drie vcormingscentra kwamen geregeld bij elkaar in het zgn HOVIK Hoofden Overleg Vormings Instituten Kennemerland. Binnen dit overleg was de samenwerking betrouwbaar; de gezamenlijke brief van februari 1970 (waarover onder Hoofdstuk Landelijke ontwikkelingen meer wordt vermeld) is daarvan ene helder bewijs; in de IJmond wilde men niet elkaars concurrenten gaan worden. Een bestuurlijk samenwerkingsvoorstel van MA en AA kwam reeds in voorjaar 1972 tot stand, evenals een besluit tot samenvoeging van de administratie van AA en MA
Heeft de samenwerking tussen AA/MAS en KVC gedurende een groot jaar geschuurd, tussen AA en MAS liepen de contacten des te beter.
Vanaf augustus 1972 werken beide stichtingen onder een en hetzelfde bestuur.
In oktober 1973 leidde een verlangen bij het KVC om de samenwerking te herstellen tot een gezamenlijk bestuursberaad om te komen tot een federatief bestuur van alle stichtingen voor vormingswerk in de IJmond.
In februari 1974 werd een besturenoverleg van de drie ventra vastgesteld, waaraan door vertegenwoordigingen vanuit de besturen, de directies en de staf zou worden deelgenomen.. Rien de Hollander die het SAVOY project begeleidde, werd aan dit overleg toegevoegd.
Op 12 maart 1974 had het eerste overleg Besturen/staven/directies van de drie centra plaats; vastgesteld werd dat dit overleg veel had bijgedragen aan een betere verstandhouding en de wens tot verdere samenwerking tussen de drie centra.
November 1974 vond besluitvorming plaats over een Federatieve bestuurlijke samenwerking tussen de drie VC’s: AA/MA/KVC ; de in de centra genomen besluiten met betrekking tot de overeengekomen samenwerkingsvormen zouden door dit bestuur worden gesanctioneerd.
De samenwerking zou betreffen: het Savoy -project en de programmering -activiteiten in het kader van de tweede dag vorming; rechtspositionele voorwaarden, administratieve activiteiten, de accommodaties en de deelnemers.
Het federatieve bestuur werkte op basis van consensus; besluiten genomen in het federatieve bestuur hadden een bindend karakter voor de drie instellingen. Men zag deze vorm als een tussenvorm naar een bestuur voor het gehele vormingswerk.
Samenwerkingsprojekten
a. SAVOY
In september 1973 startte het zgn SAVOY -project, een samenwerkingsproject van de gezamenlijke vormingscentra met de Ymondschool van Hoogovens..
De samenwerking hield voor de leiding in, dat twee verschillende categorieën leiders (leraren en vormingswrekers) met elkaar moeten optrekken; dat vroeg (zeker bij de aanvang) het wederzijdse accepteren en aanpassen..
Rien de Hollander werd met de begeleiding van het project belast..
Het SAVOY project legde geheel en al beslag op de Velsen Noordse accommodatie.
Het ging in dat project om in totaal zo’n 350 deelnemers, 200 eerste jaars en 150 tweede jaars.
De groepen werden ondergebracht in Velsen Noord (6 groepen per dag ), in De Velst (6 groepen per dag),. Stumphiusstraat (2 groepen per dag).
Overwogen werd om de (bouwvallige) Stumphiusstraat te vervangen door een uitbreiding in Velsen-Noord., nu de Schouwenaerstraat voor dit project niet geschikt bleek.
b. Streekschool
Het vormingswerk maakte in de eerste helft van de zeventiger jaren op een volwaardige wijze deel uit van het bestuur van de streekschool: voorzitter was de heer N.P.A.Nelissen, secretaris was Ton van Herpen (directeur van AA)
.Voorts nam het vormingswerk Haarlem deel aan de vergaderingen in de personen Theo van der Does (directeur Levensschool). Jaap Dey (Directeur algemeen vormingswerk Haarlem) .
Door het departement voorgeschreven regel met betrekking tot de aantallen leerlingen in de zgn Kernvakken stond een splitsing van de school in één school ten noorden en één school ten zuiden van het kanaal in de weg.
Overplaatsing van de streekschool naar de noordkant werd door Haarlem niet.aanvaard.
De verplaatsing van de Zaanse Streekschool naar Heerhugowaard zou wellicht van doorslaggevende betekenis kunnen worden, zo verwachtte men, ten gunste van het leerlingenaantallen aan de Noordkant.
De IJmondschool zou zich graag zien opgenomen in de streekschool om subsidietechnische redenen. Nog steeds betaalde Hoogovens de volledige opleiding; bij integratie van de passende opleidingen in een streekschool ,-maar dan wel aan de noordkant,- zouden praktisch alle opleidingen onder de rijkssubsidieregelingen komen te vallen.
Op 15 oktober 1973 viel de eindbeslissing in het bestuur van de Stichting Streekschool voor Algemeen Vormend en op het beroep gericht onderwijs in Kennemerland en omgeving: de zuidkant zou verder gaan met de ontwikkeling van zijn eigen streekschool Zuid –Kennemer- land en omgeving en de noordkant zou het initiatief nemen tot oprichting van een streekschool gericht op Midden Kennemerland.
VII.LANDELIJKE EN REGIONALE CONTACTEN
VII.1.Landelijke stichting
Gelijk aan de start van de MAS in het zuiden van het land, werden katholieke “vormingsscholen”voor jonge arbeiders opgericht, o.a. in Maasticht, Eindhoven,
’s Hertogenbosch, Amersfoort, Rotterdam, Amersfoort en Amsterdam.
Veel deze initiatieven kwamen uit de koker van de KAJ, (Katholieke Arbeiders Jeugd –beweging).
Ze kregen ,-we beschreven dat al in Hoofdstuk I,- de naam Pater Fortisscholen.
Deze scholen waren bestemd voor de groep boven 17 jarigen; de KAJ mocht op grond van bisschoppelijke besluiten geen bemoeienis hebben met de jongeren beneden die leeftijd.
Die vaststelling is van belang omdat bij de oprichting van Levensscholen bedoeld voor 14-17 jarigen door de KAJ er een machtsstrijd ontbrandde op landelijke niveau over de competentie; niet de KAJ maar de KJB (Katholieke Jeugdbeweging, waartoe ook de verkennersbeweging behoorde) mocht zich met deze groepering bezig houden !
Kenmerk van Pater Fortis-scholen was, dat op deze centra geen onderwijs zou worden gegeven, maar levensvorming.:hulp bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid.
Al werkende constateerde de leiders, dat het probleem van de werkende jeugd niet oplosbaar zou worden als de jeugdigen niet onmiddellijk bij de intrede in de arbeidssituatie kon worden opgevangen De aanpak van de Pater Fortisscholen kwam te laat in het leven van de werkedne jongeren. Zo groeide naast de Pater Fortisscholen initiatieven welke men de naam Levensschool gaf voor de jonge arbeiders van 14 tot 17 jaar.
De competentiekwestie leidde ertoe, dat men besloot een Nationaal curatorium op te richten, waarbij iedere initiatienemer voor een levensschool zich zou kunnen aansluiten.
Al eerder werd opgemerkt, dat de KAJ als jeugdbeweging geen toestemming had,om haar werkterrein ut te breiden tot de beneden 17 jarigen die toestemmin kwam eerst in 1954, toen werd ook de zgn JongKAJ opgericht onder auspiciën van de Landelijke KAJ.
Om het levensschoolwerk vanuit de KAJ te kunnen opzetten en daarmede de garantie dat het geen schoolse vorming maar levensvorming zou worden, richtte de landelijke KAJ in september 1954 de Landelijke Stichting Katholieke Levensscholen voor Jonge Arbeiders op. Het voorzitterschap werd toebedeeld aan de eerste landelijke voorzitter van de KAJ, de latere Bossche wethouder en KVP-senator Nico Schuurmans (NB Naar hem is ook het Schuurmanshuis in Heemskerk genoemd).
Als wetenschappelijk medewerker werd Prof Nic Perquin aangetrokken.
De eerste levensscholen kwamen vrij spoedig na 1954 tot stand in o.a. Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Den Bosch en Maastricht.
Het landelijk curatorium werd omgezet in Stichting Landelijk Curatorium Levensscholen voor Jongens en Jonge mannen.Dit orgaan verleende erkenning en kon voorschriften met betrekking tot de inhoud vast stellen. Eerder is reeds gewezen op het principiële verfschil in aanpak, methodiek en doelstelling tussen de zgn KJBscholen en de KAJ-scholen. De laatste scholen overheersten (er kwam feitelijk geen langdurig initiatief van de grond van een KJB-school) en hebben ertoe bijgedragen, dat er slechts één type Levensschool overeind bleef.
Vanuit de Landelijke stichting werd geducht gewerkt aan een eigen leidersopleiding.
Aan elke aanstelling ging in de beginperiode een persoonlijk gesprek met de kandidaat en Perquin en een stafmedewerker van de Landelijke stichting vooraf. Later is deze procedure vereenvoudigd en tenslotte afgeschaft, omdat het de autonomie van de plaatselijke schoolbesturen te veel aantastte, Maar de verplichte opleiding voor elke leider ,-ongeacht de vooropleiding,-is veel jaren gehandhaafd.
Vanuit de KAJ kregen veel leiders ondanks hun niet adequate of onvoldoende opleiding de kans om hun geschiktheid voor het levensschoolwerk te bewijzen en zich verder te scholen.
De verhouding tussen de plaatselijke/regionale scholen en de medewerkers van de landelijke stichting was uitermate prettig; in feite niet zo verwonderlijk omdat velen elkaar kenden vanuit de Kajottersbeweging.
De ontwikkeling van het levensscholen -dagwerk verliep voorspoedig; van 27 centra met 1771 deelnemers in 1955 liep het binnen tien jaar uit naar 76 centra met 9313 deelnemers.
De werknaam van de landelijke stichting werd aangepast aan moderner taalgebruik en heette: Landelijke Stichting Levensscholen voor Werkende Jongeren; de AA -voorzitter Cees de Goede heeft in de zeventiger jaren nog geruime tijd deel uit gemaakt van het bestuur als landelijk voorzitter.
VII.2.Samenwerking tussen landelijke instituten
Plaatselijke ontwikkelingen leidden in 1970 tot een merkwaardig besluit van de landelijke stichting levensscholen.
Op 5 december 1969 adviseerde de landelijke stichting Levensscholen de plaatselijke scholen de statuten open te breken, opdat zowel meisjes als niet katholieke deelnemers binnen het levensschoolwerk zouden kunnen worden opgenomen. Vanzelfsprekend konden de collegae van MA en KVC deze manoeuvre geenszins waarderen.
Per brief van 27 januari 1970 volgde een formeel schrijven, waarin werd bericht, dat men als levensscholen van de landelijke stichting de vrijheid krijgt om EN meisjes EN niet RK deelnemers op te nemen
De houding van de landelijke stichting is des te opmerkelijk omdat eerder (augustus/september 1968) besprekingen hadden plaats gevonden met leden van een bestuurscommissie,( waarin o.a. Cees De Goede zitting had.), waarvan de staven van AA en MAS in april 1969 melding hadden gemaakt.
Op 18 juni d.a.v.werd binnen AA de discussie op gang gebracht door het toezenden van de door de landelijke bestuurscommissie toegezonden werkpapier I (Vorming en Vormingswerk), II (Vormingswerk en levensbeschouwing) en II (Organisatie van het vormingswerk)
Er leefde toen in geen enkel opzicht het gevoel dat de landelijke stichting alle remmen los liet voor elke ontwikkeling van de plaatselijke levensscholen.
KVC, MA en AA werken op veel terreinen samen; er is op directieniveau intensief overleg binnen het zogenaamde HOVIK (Hoofdleiding Vormingswerk In Kennemerland).
Dat overleg voorkwam een genadeloze concurrentieslag tussen de vormingscentra nu grenzen van gescheidenheid op grond van levensbeschouwing en sekse in de praktijk bleken te zijn achterhaald.
Binnen het HOVIK leefde de angst, dat de landelijke centra die ontwikkelingen kennelijk al lang niet meer in de hand hadden..
De drie directeuren in Kennemerland schreven op 26 februari 1970 vanuit het HOVIK een indringende (sommigen betitelden het later als een opdringerige) brief aan de directeuren van plaatselijke levensscholen om geen misbruik te maken van de mogelijkheid welke een landelijke fusie tot gevolg kon hebben.
In de brief van het HOVIK werd gewezen op een ontwikkeling welke fatale gevolgen kon hebben en rechtstreeks zou kunnen aansturen op een chaos en in deze tijd niet meer verkoopbare concurrentiestrijd. Elk plaatselijk instituut kon zonder enig overleg met andere plaatselijke centra elke potentiële deelnemer opnemen ! De landelijke stichting beriep zich in het verdedigen van haar standpunt op de geluiden tijdens een directeurenvergadering; de reactie uit de IJmond is: maar dáár wordt toch geen beleid gevormd en uitgevoerd !
De samenwerking binnen de IJmond heeft door deze landelijke actie geen directe nadelige gevolgen gehad.
Een tweede opvallende ontwikkeling binnen het landelijk samenwerkingsverband (de nieuwe landelijke stichting derhalve) was de brief van 29 maart,1972, waarbij een stuk werd gevoegd met betrekking tot de Interne Opleiding.
De NOTA werd met een zeer kritisch commentaar van de hand van Ton van Herpen bespreekbaar gemaakt in staf en bestuur:
De door de landelijke stichting gevolgde procedure was al een schoolvoorbeeld van chaos en ondoordacht handelen geweest: er werden weliswaar hearings georganiseerd over de Interne Opleiding (IO) maar de toegezonden nota mocht niet in de discussie worden betrokken.!
Merkwaardig was ook, dat voor een deel reesd binnen de IO gewerkt werd aan de hand van de inhoud van de nota ; binnen die opleiding was de nota namelijk wel ter discussie gesteld.!
Een deelname aan de discussie vanuit bestuur kwam bij de opleidingsstaf al helemaal niet aan de orde
Voorts wekte de nota de indruk dat nieuw aangestelde vormingswerkers die deelnemen aan de IO zouden bepalen, wat men zou wil leren.,De behoeften of de vragen vanuit instituten, welke verantwoordelijk waren voor de aanstelling van vormingswerkers, was geen verder uitgangspunt voor de opleiding.
De opvatting van de opleiding was: “Een consequente democratische omgang met de cursisten is dan ook absolute voorwaarde in de opleiding”,
De betekenis van deze moderne zinsnede ontgingen staf en bestuur ! De staf reageerde met de opmerking “bureau-kretologie”.
Binnen AA was grote ergernis over de dwang tot democratisering binnen de centra en binnen de opleiding, terwijl men zichzelf zonder enig mandaat beschouwde als de spreekbuis van het georganiseerde werkveld, waarmede men de plaatselijke centra bedoelde..
Een citaat over het advies aan staf en bestuur is :”Ik vrees deze vorm van indoctrinatie in hoge mate ! Ook de staf opleiding zal diensten aan de plaatselijke centra moeten verlenen of men moet vertrekken. En laten de plaatselijke centra dan ook bepalen wat er nodig is. Daar zijn nog kontakten met werkende jongeren; daar werken mensen ,- en geen enkelingen,- al tientallen jaren binnen het vormingswerk. Vormingswerk is zo’n eigen plaats gaan innemen, omdat de oplossing voor de werkende jongeren gezocht is vanuit hun problematiek door de werkers zelf.”
En tot slot nog een letterlijk citaat: “Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat men via de IO de plaatselijke centra in een richting wil stuwen, zoals de opleiding -staf die ziet.
Dit roept herinneringen op aan een tijd,waarin men via het onderwijs de nazi -doctrine ingang wilde doen krijgen. Daar zeg ik ook nu weer NEEN tegen.”
VII. 3 Regionaal Team
Op 13 december 1973 besloten de besturen van MA en AA, dat een door het landelijk bestuur opgericht “regioberaad “gezien werd als een doorkruising van de taken van het landelijk orgaan en de verantwoordelijkheden van de plaatselijke besturen. Er was geen bezwaar tegen regionaal overleg, wel tegen een regioraad met eigen autonome bevoegdheden.
Eerder op 30 oktober 1973 had de staf van AA aan het “Regio team west” al laten weten, dat de staf nog geen standpunt had kunnen innemen omdat de overhaast toegezonden stukken mbt de oprichting van een regioraad veel te laat waren ontvangen; het bestuur wenste van de staf een unaniem advies, op grond van de overweging, dat alle stafleden waren aangesteld op eerder geformuleerde en vastgelegde doelstellingen
Kennelijk had de staf van de MA een andere strategie opgezet; ondanks de bestuursoverweging van 13 december nam Johan Dirks van de MA wel deel aan een eerste vergadering van de Regio op 19 december.
Duidelijk werd dat het bestaan van het regioberaad gerechtvaardigd werd door de duidelijke instituutsvertegenwoordiging, dat immers zou meer tegemoet komen aan een democratisch functioneren.
Er was geen twijfel meer over het voortbestaan van het (goed functionerende ) gewestelijke directeurenoverleg; dat overleg zal dienen op te gaan in het regioberaad en als de directeuren bij elkaar willen komen, dan moet vooraf duidelijk zijn binnen welk kader dat gebeurt.
de 10 % groepering
Er groeide binnen de landelijke stichting een zekere verwijdering tussen de centra, welke prijs stelde op behoud van een duidelijke eigen levensbeschouwelijke signatuur en de centra, waarbij de samenwerking met de andere regionale/locale centra voorop stond.
De eerste groepering had recht op een eigen landelijk overleg als tenminste voor die groepering een belangstellingspercentage bewijsbaar was van 10 % . In de wandelgangen werd die groep van betrokkene aangeduid als de 10% groep
Ze roerde op de landelijke Congressen danig hun mond; men trachtte hun positie door allerlei amandementen te versterken.
De aanhangers van dez groepring waren voornamelijk te vincen in Brabant en in streken met een protestants christelijke signatuur.
Later heeft een aantal van deze centra gekozen voor het behoud van eigen vormingscentra; een daarvan in Norord Holland was Schagen, waar Gerard Bart directeur was.